Waterkeringen in gevelmetselwerk

  • IMG_20170130_134822
  • RIM00037
  • RIM00058

Gevelmetselwerk is niet waterdicht, maar enkel waterkerend. Was metselwerk door de eeuwen heen vooral een constructief bouwmateriaal, de laatste decennia is het voor een deel verworden tot bekledings- of afwerkingsmateriaal. Dat geldt dan voornamelijk voor het bakstenen gevelmetselwerk en natuurlijk veel minder voor betonstenen en kalkzandstenen. Deze laatste twee producten worden wel in dragende constructies toegepast, maar komen veel minder voor in gevels. Recentelijk vindt er wel een revival plaats van de toepassing van betonstenen gevelmetselwerk en speelt de kering van water in dit soort gevels ook een belangrijke rol. Het niet goed uitvoeren van de waterkeringen en waterafvoer van gevelmetselwerk resulteert over het algemeen tot een versnelde vervuiling van de gevel, waarbij dit zich vaak geconcentreerd manifesteert.

De waterkeringen in gevelmetselwerk dienen over het algemeen aangebracht te worden op posities waar verschillende materialen en geveldelen op elkaar aansluiten. De wijze van uitvoeren van deze aansluitdetails vereist in ieder geval enig inzicht in de wijze waarop het gevelmetselwerk met water belast wordt. De regenbelasting op gevels en ook op gevelmetselwerk is in het begin van het vorige decennium uitvoerig onderzocht door het Departement Burgerlijke Bouwkunde van de Universiteit Leuven (B). Binnen de afdeling Bouwfysica werkten voornamelijk prof. Jan Carmeliet en prof. Bert Blocken aan het onderzoek naar regenbelasting op gevels en daarmee naar een beter begrip van wat gedaan kan worden aan het correct ontwerpen en detailleren. Uit het onderzoek is onder andere naar voren gekomen dat bakstenen gevelmetselwerk alleen bij een gedurende enkele dagen aanhoudende regen- en windbelasting kan doorslaan, waarbij de binnenzijde van het buitenspouwblad dan nat kan worden. De hoeveelheid water die dan langs het buitenspouwblad in de spouw omlaag loopt is over het algemeen nog steeds zo weinig dat het niet opgevangen kan worden of op een andere wijze goed te kwantificeren is.

Ook in Nederland is er in de afgelopen decennia onderzoek uitgevoerd naar de vochtproblematiek in bakstenen metselwerk. De aanleiding voor dat onderzoek was over het algemeen schade die ontstaan was in het bakstenen metselwerk van veelal historische gebouwen. Ook het Nederlandse onderzoek heeft aangetoond dat bakstenen metselwerk niet zomaar doorslaat, maar dat het merendeel van het regenwater dat op een gemetselde gevel valt wordt afgevoerd via de buitenzijde van de gevel en de rest bijna geheel wordt opgezogen door de bakstenen en metselmortel. Wel ontstaat er dan een situatie waarbij het water dat door het metselwerk is opgezogen gaat zakken in het gevelmetselwerk. Dit zakwater zal zich gaan concentreren op posities in de gevel waar het niet verder kan zakken, zoals bijvoorbeeld op lateien en geveldragers. Het zijn deze posities waar waterkeringen aangebracht moeten worden om te voorkomen dat het zakwater via de aansluitdetails het gebouw in kan. De waterkeringen zorgen ervoor dat dit water gecontroleerd naar de buitenzijde van het gebouw wordt afgevoerd.

In Eurocode 6 (NEN-EN 1996-2 ‘Ontwerp, materiaalkeuze en uitvoering van constructies in metselwerk’) wordt aandacht besteed aan de belasting van metselwerk door vocht en regen. Het merendeel van de eisen die in deze norm zijn opgenomen gaan echter over de uitvoering van het metselwerk en niet over de eindsituatie als het metselwerk gerealiseerd is en het bouwwerk in gebruik. Alleen in bijlage A.2 ‘Blootstelling aan regen’ worden een aantal voorbeelden gegeven van blootstelling van metselwerk aan vocht en water. Er dient rekening gehouden te worden met dit soort belastingen in de diverse, aangegeven situaties, maar waarom dit moet gebeuren wordt nergens in de betreffende norm vermeld.


Figuur A.2 (afkomstig uit NEN-EN 1996-2) — Voorbeelden van relatieve blootstelling van metselwerk aan vocht en water (niet beschermd door afwerking of bekleding, tenzij daar waar aangeduid, funderingen in goed gedraineerde grond)

Op zich is bijlage A.2 van NEN-EN 1996-2 wel een goede basis voor de posities in het metselwerk waar aandacht besteed moet worden aan een correcte detaillering in relatie tot de vocht- en waterbelasting. Deze posities ontbreken namelijk in de verschillende uitvoeringsrichtlijnen voor gevelmetselwerk en gevellijmwerk (URL 2826) en zijn zodoende een hele goede en praktische aanvulling. In de URL’s wordt wel omschreven wat voor materialen er toegepast kunnen worden, maar blijft de onderbouwing of mogelijke posities in de gevels grotendeels achterwege. In art. 4.7.5 van URL 2826-01 en art. 4.5.5 van URL 2826-04 is enkel het volgende opgenomen: “Kunststof slabben die worden toegepast als waterkeringen rond kozijnen en horizontale geveldoorbrekingen dienen te bestaan uit PVC (polyvinylchloride), DPC (damp proof course) of gelijkwaardig. Deze slabben inwerken in het lijmwerk conform de in het bestek en tekeningen gegeven detailleringen en/of de uitvoeringsinstructies van de desbetreffende producent c.q. leverancier. De kunststof slabben bij het inwerken ondersteunen en verticaal vrijhouden van het buitenspouwblad, ter voorkoming van vlekvorming op het buitenoppervlak. De toepassing van kunststof slabben verdienen de voorkeur.” In de uitvoeringsrichtlijnen voor het verlijmen van kalkzandsteen, betonsteen en cellenbeton (URL 2826) wordt nog vermeld dat opgezette vochtkerende stroken in binnenspouwbladen doorgaand ondersteund moeten zijn en ingewerkt of geklemd. In de praktijk wordt nog steeds veelvuldig gebruikt gemaakt van DPC-folie als waterkering, terwijl er ook veel schade bekend is ten gevolge van het gemakkelijk scheuren van deze polyethyleen kunststof. Betere alternatieven zijn folies van PVC of EPDM.

In de verschillende uitvoeringsrichtlijnen wordt ook aandacht besteed aan eisen ten aanzien van de verwerking van lood als waterkeringen in gemetselde gevels of gevellijmwerk. De URL’s geven aan dat voor het toegepaste lood voor loketten en dergelijke minimaal de navolgende kwaliteit dient te worden gebruikt (overeenkomstig informatieblad S.I.B.L. 95-07), voor zover niet elders (b.v. bestek) is bepaald: Het lood dient te bestaan uit 99,9 % lood en 0,03 tot 0,06 % koper om de kruipweerstand te verhogen. De looddikte is afhankelijk van de toepassing, waarbij deze minimaal gelijk dient te zijn aan de tabelwaarden van het informatieblad S.I.B.L. 95-07. De bovenkant van het lood dient gelijk te zijn aan de lagenmaat. Het toepassen van lood in lijmwerk, vooral bij felsnaden, verdient de nodige aandacht in verband met de lijmvoegdikte. Als alternatief voor lood zijn ook loodvervangers te gebruiken, zoals bijvoorbeeld Ubiflex.

Het nat worden van gevelmetselwerk is op zich geen enkel probleem en de producten die in de gevel verwerkt mogen worden, zijn hier ook heel goed tegen bestand. Mogelijke problemen kunnen echter ontstaan op het moment dat het gevelmetselwerk gedurende een langere periode overmatig nat blijft. Op dat moment ontstaat er namelijk een belangrijke groeivoorwaarde voor algen, te weten voldoende water. De andere voorwaarden van voldoende licht en koolstofdioxide zijn over het algemeen voldoende aanwezig in het geval van buitengevels. De voedingsstoffen (voornamelijk stikstof en fosfor) die verder nog nodig zijn voor de groei, onttrekken de meeste algen aan het materiaal waar ze op zitten of de vervuiling (voornamelijk ammoniak en nitraten) die op het oppervlak aanwezig is. De algvorming op gevelmetselwerk ziet er vaak uit als een soort vervuiling, maar is in de meeste gevallen dus een organisme dat groeit. De oorzaak hangt meestal samen met het langer nat blijven van deze positie in de gevel, hetgeen weer het gevolg is van slechte details of een slechte afwatering van de gevelconstructie. Het ontbreken of slecht aangebracht zijn van waterkeringen kan daar ook een rol bij spelen.

In de URL 2826-01 zijn details opgenomen, waarin specifiek rekening gehouden wordt met de juiste detaillering in het kader van het keren van water van de gevel. Detail 8 geeft een voorbeeld van een dergelijk detail uit deze uitvoeringsrichtlijn.

Detail 8 uit URL 2826-01 ‘Uitvoeringsrichtlijn Metselwerkconstructies –  Bakstseen, bouwblokken en -stenen van beton, cellenbeton en kalkzandsteen’

Naast het regenwater dat van boven op een metselwerk gevel terecht komt, is er ook nog ander water dat schade kan veroorzaken in het gevelmetselwerk. Het betreft dan voornamelijk optrekkend vocht dat door het bakstenen metselwerk opgezogen wordt en afkomstig is uit de grond of regenwater dat tegen de onderzijde van de gevel opspat of aanstroomt. Het is altijd heel gebruikelijk geweest om trasraam klinkers toe te passen voor het bakstenen gevelmetselwerk dat in contact staat met het maaiveld. Deze vormden dan over het algemeen een soort van waterdichte plint in de gevel. Dit is op zich nog steeds een goede methode om problemen met optrekkend vocht in de gevel te voorkomen. Mocht het ontwerp echter zo zijn dat de gevelsteen (normaal of sterk zuigend) tot in het maaiveld wordt doorgezet, dan is het noodzakelijk om een trasraam voorziening aan te brengen. Deze voorziening kan bestaan uit het aanbrengen van een waterkering in de eerste lintvoeg boven het maaiveld. Deze waterkering kan bijvoorbeeld een strook DPC, PVC of EPDM zijn.

Onderstaande komt rechtstreeks uit de KNB publicatie Schoon metselwerk oorzaken en preventie van witte uitslag en zou mogelijk in een apart blokje opgenomen kunnen worden.

“Waterkeringen: Doorgeslagen regenwater moet over de waterkeringen en via openstootvoegen uit de spouw wegvloeien. Hiertoe dienen waterkeringen afwaterend naar buiten toe in de constructie te worden opgenomen en van een ondersteuning te zijn voorzien om uitzakken te voorkomen.”

“Overstekken:  Neervallend regenwater van geveloppervlakken, muurafdekkingen, dakranden en waterslagen mag het onderliggende metselwerk niet overmatig bevochtigen. Om die reden moeten overstekken tenminste 30 mm zijn.”

“Trasraam: Door het achterwege laten van een trasraamconstructie kan opspattend water en water vanuit de bodem opgezogen worden in het metselwerk. Hierdoor kan op het drogingsfront eerder uitslag en/of alggroei ontstaan. Maatregelen tegen opspattend vocht, het gebruik van weinig zuigende bakstenen voor de onderste lagen en de toepassing van een waterkering net boven het maaiveld beperken het risico op uitslag aanzienlijk.”

Voor de publicatie zoals deze in De Aannemer verschenen is klik hier!

Share

Steffie

Metselwerk Adviseur bij Metselwerk Adviesbureau Vekemans

Dit vind je misschien ook leuk...