Doorstrijken van gevelmetselwerk

In Nederland wordt er heel veel gevelmetselwerk gemaakt met doorgestreken voegen. Het wordt steeds vaker door de architect voorgeschreven in het bestek, maar daarnaast ook door aannemers of het metselbedrijf aangeraden. Opdrachtgevers ontdekken ook steeds vaker de voordelen van het doorstrijken, waarbij ‘total cost of ownership’ zeker een belangrijk aspect is. Het komt heel veel voor, maar wat ligt er nu eigenlijk over vast in de regelgeving?

In de regelgeving ligt er erg weinig over vast. In de Eurocode staat het twee keer vermeld en dan gaat het met name om de terminologie. In de NEN-EN 1996-1-1 art 1.5.9.5 staat het volgende: “doorstrijken: werkwijze waarbij de mortelvoeg, tijdens de voortgang van het werk is afgewerkt”. En in de NEN-EN 1996-2 art. 3.5.3.2: “doorstrijken: Indien het metselwerk wordt afgewerkt door doorstrijken tijdens de uitvoering, behoort de mortel stevig te zijn aangedrukt voor het zijn plasticiteit verliest.”

Er is een KNB infoblad (06) “Doorstrijken van baksteen metselwerk” (maart 2009) over gepubliceerd. Hierin staat onder andere vermeld dat bij de uitvoering van het metselwerk altijd “vol en zat” gemetseld dient te worden. Stoot- en lintvoegen dienen goed gevuld te zijn met mortel. Het is de metselaar die de afwerking verzorgt van de voegen, door de metselmortel direct af te werken. Om de metselwerkvoegen op een constante diepte af te kunnen werken is er een speciale voegroller (pointmaster) ontwikkeld. Platvolle voegen zijn door de afwerking met de voegroller onmogelijk. De oppervlakte van de mortel wordt door dit apparaat namelijk aangedrukt en daardoor ook nog iets verdicht. De metselmortel vormt zo wel een monolithisch geheel tussen de stenen. Slechte aanhechting van de voeg komt zodoende bij doorgestreken metselwerk niet voor. De kwaliteit van doorgestreken metselwerk is dan ook hoog.

Door fabrikanten van prefabmortels zijn speciale doorstrijkmortels ontwikkeld, waarbij het tijdstip van afwerken beter gestuurd kan worden zonder dat de stabiliteit tijdens het verwerken of het verdichten van de mortel wordt aangetast. De keuze van de geprefabriceerde doorstrijkmortel moet worden afgestemd op de kwaliteit van de bakstenen, waarbij de klasse van de initiële wateropzuiging van de baksteen een belangrijk criteria is. Evenals voegmortels zijn ook de doorstrijkmortels in kleur leverbaar.

Het KNB infoblad van 2009 vermeld ook nog dat het een trend is om stootvoegloos doorgestreken metselwerk te maken. De stootvoegen zijn dan niet voorzien van metselmortel en hebben een theoretische breedte van 0 tot enkele millimeters. Dit type metselwerk versterkt de horizontale belijning, vooral als verdiept is doorgestreken. Naast het feit dat het in die periode een trend was, levert het stootvoegloos doorstrijken ook voordelen op in de verwerking, aangezien alleen de lintvoegen behoeven te worden doorgestreken. Het doorstrijken van de stoot- en lintvoegen kost vanzelfsprekend meer tijd.

In de huidige CUR aanbeveling 61 “Het voegen en hydrofoberen van metselwerk” (2013) wordt er amper nog iets vermeld over doorstrijkwerk. In de vorige uitgave van de CUR aanbeveling 61 (1998) werd er meer over vermeld. In de uitvoering van 1998 zijn de voor- en nadelen van doorstrijkwerk ten opzichte van voegen achteraf naast elkaar gezet. Over het doorstrijkwerk zijn een aantal punten opgenomen die toch wel een compleet beeld geven van hetgeen van belang is voor het maken van doorstrijkwerk. Hieronder deze punten met daarbij indien van toepassing nog een nadere toelichting.

  • Principe doorstrijkwerk: Doorstrijken is het werk van de metselaar. Bij het metselen neemt hij de uitpuilende specie met de troffel weg. Hierna moet hij wachten tot de specie voldoende water heeft verloren, alvorens hij zonder al te groot risico van besmeuren van de steen, de specie verder tot het gewenste voegtype kan afwerken;
  • Afwerktechniek – de Pointmaster of voegroller: In Engeland is voor dit doel een speciaal en zeer bruikbaar stuk gereedschap ontwikkeld, de zogeheten Pointmaster. In Nederland wordt dit apparaat ook wel aangeduid als voegroller. De naam is ontleend aan het feit dat het apparaat twee wieltjes heeft, waarmee het over de stenen wordt getrokken. Daarbij wordt een stalen voegelement (afgerond blokje) in een heen-en-weer gaande beweging over de af te werken specie geduwd en getrokken en wordt aldus daaraan de gewenste vorm gegeven. Men kan meer of minder verdiept vlak werken. Platvol werk is niet mogelijk, omdat de metselaar de uitpuilende specie in het zichtvlak van de stenen afneemt en er als gevolg van de gebogen vorm van het voegelement altijd enige verdichting plaatsvindt, wat overigens een niet te verwaarlozen voordeel is. Vanzelfsprekend wordt de voeg altijd glad.

De toename van doorstrijkwerk heeft er mede toe geleid dat er ook alternatieven voor de originele pointmaster c.q. voegroller zijn ontwikkeld. Aangezien het doorstrijken met een blokje redelijk arbeidsintensief is en ook een zorgvuldige uitvoering van het bakstenen metselwerk vereist, zijn ook alternatieven op de originele pointmaster ontwikkeld. Slechts een enkele uitvoering drukt de voeg nog een beetje aan, maar de meesten hebben meer een spijkerachtig kopje waarmee de voeg meer op diepte wordt uitgekrabt en zeker niet aangedrukt en glad gestreken.

  • Metselprofielen: In Nederland wordt traditioneel tegen de profielen aan gemetseld, dit is niet mogelijk bij doorstrijkwerk aangezien dit binnen een paar uur afgewerkt moet worden. Een optie is het plaatsen van afstandhouders (bijvoorbeeld Draadmaster) op de profielen die verwijderd kunnen worden voor de afwerking en er zijn tevens speciale klemprofielen op de markt, die losgemaakt kunnen worden van het stelprofiel als er doorgestreken moet worden. Ook de toepassing van de Profielsteller is tegenwoordig een goede oplossing voor het efficiënt uitvoeren van het stellen van profielen voor doorstrijkwerk;
  • Vol-en-zat metselen: Om goed doorstrijkwerk te kunnen maken, moet vol-en-zat gemetseld worden. Vol-en-zat metselen vraagt tijd. Onder invloed van de werkdruk is met name het goed vullen van de stootvoeg in het gedrang gekomen. De metselaar die voor het eerst gaat doorstrijken, komt daarbij zijn eigen tekortkomingen tegen. Hij moet namelijk alle te leeg gebleven ruimte alsnog aanvullen. Het gevolg is dat de metselaar zorgvuldiger moet gaan werken. Voordeel is natuurlijk wel dat en passant hoogwaardiger metselwerk wordt verkregen. Door het ontbreken van lege ruimte in het mortelstelsel, geeft vol-en-zat werk minder kans op uitspoelen van mortelbestanddelen;
  • Moment van afwerken: De metselspecie moet worden afgewerkt op een moment dat de specie voldoende is opgestijfd, maar niet zoveel water heeft verloren dat die niet plastisch genoeg meer is om nog glad afgewerkt te kunnen worden. Het bepalen van het juiste moment komt dus vrij nauw, respectievelijk vraagt om ervaring. Afhankelijk van het zuigend karakter van de steen, waarbij het vochtgehalte van de steen ook van min of meer van invloed is, kan het juiste moment vroeger of later vallen. Ook het weertype zal van belang zijn. Het kiezen van het juiste moment van het afwerken is niet eenvoudig. Als belangrijk nadeel van doorstrijkwerk wordt wel aangevoerd dat er daarbij – meer dan traditioneel voegen – kans op band- en blokvorming bestaat. Dat is dan te wijten aan het feit dat niet steeds bij precies gelijke opstijven van de specie zal worden afgewerkt;
  • Speciesamenstelling: De mortel zal in ieder geval goed als metselspecie verwerkbaar moeten zijn en ook verder aan de eisen voor metselmortel moeten voldoen. Daarnaast dient hij – na afwerken – voldoende weerstand tegen de inwerking van regenwater te bezitten. Niet in de laatste plaatst is ook de kleur van belang. Is omwille van de kleur een relatief dure component nodig, dan heeft dat een tamelijk sterke invloed op de prijs. Immers, die component moet door alle mortel worden gemengd, terwijl hij alleen maar in de toplaag nodig is. Daarbij mag die component niet de eigenschappen als metselmortel benadelen. Metselmortel is in het algemeen niet erg bindmiddelrijk; normaal bij cementmortel is 1;4,5 tot 1:5. Dat doet vermoeden dat de duurzaamheid van doorstrijkwerk te wensen zou kunnen overlaten. Gebleken is echter dat de duurzaamheid van doorstrijkwerk zeer goed kan zijn. Dat komt door de gunstige verhardingsomstandigheden waarin metselwerkmortel verkeert, in casu is er vrijwel altijd voldoende water om de mortel goed te doen verharden;
  • Monolithisch geheel: Een belangrijk gegeven van doorstrijkwerk is dat de mortel één geheel vormt. Met het oog op het milieu en duurzaam bouwen is het van belang dat niet behoeft te worden uitgekrabt, waardoor er geen afval ontstaat en er geen mortel wordt verspild. Door het monolithische geheel is het vervangen van voegwerk ook niet aan de orde.

In de laatste versie van ‘Vakkennis Metselen’ uit 2006 wordt er heel beperkt aandacht besteed aan ‘Doorstrijken van voegen’: “Bij deze voegmethode strijk je met dezelfde metselspecie, die vol en zat is aangebracht, de voeg glad met een uit Engeland afkomstige voegroller (Pointmaster).” In dit vakboek wordt aangegeven dat je het doorstrijken binnen 30 à 60 minuten na het metselen moet doen, omdat anders de metselmortel te veel is opgedroogd. Er wordt ook aangegeven dat het een voegmethode zou betreffen, waarbij de voeg één geheel vormt met de metselmortel. Opmerkelijk is dat vermeld wordt dat de doorstrijktechniek blijkt de schade aan voegen aanzienlijk te beperken.”

Wat vooral opvalt is dat zowel in de oude CUR-aanbeveling 61 (1998) en in de publicatie van Vakkennis Metselen uit 2006 wel informatie te vinden is over doorstrijken, al dan niet verouderd. En er veel minder over te vinden is in latere publicaties of boeken, op de publicatie van het KNB na, en documenten van producten en verwerkers zelf.

Wanneer er metselwerk met doorstrijken verwerkt wordt kan dit in het kort samengevat worden in de volgende punten:

  • Vol-en-zat metselen
  • Één homogene voegvulling
  • Één arbeidsgang
  • (licht) Verdiepte voegen
  • Stootvoegloos ook mogelijk
  • Wachten met afwerken voegen, wel binnen dezelfde arbeidsgang
  • Voeghardheid, bij goede doorstrijkmethode, beter te waarborgen
  • Betere kwaliteit
  • Minder kans op uitbloeiing
  • Meer kans op smet en vlekken in de gevel
  • Profielen stellen/draadmaster, andere methode dan traditioneel metselwerk
  • Extra aandacht voor dagkanten doorstrijken

Voor de ingescande versie van het gepubliceerde artikel in de aannemer juni 2019, klik hier!

Share

Steffie

Metselwerk Adviseur bij Metselwerk Adviesbureau Vekemans

Dit vind je misschien ook leuk...